FAQ - Elektriciteit
Bepalingen
Enkele nuttige bepalingen
Wooneenheid : onder wooneenheid wordt verstaan een huis, een appartement, een lokaal of een geheel van lokalen dat als woning dient voor een of meerdere personen die in familieverband of als gemeenschap leven.
Huishoudelijke werkeenheid : onder huishoudelijke werkeenheid wordt verstaan het of de lokalen die niet tot de wooneenheid behoren en die voorbehouden zijn om er werken in uit te voeren die niet onder de toepassing vallen van artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming en die niet ingedeeld werden als gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen.
Residentieel geheel : onder residentieel geheel wordt verstaan een geheel van wooneenheden, eventueel van huishoudelijke werkeenheden die aan een of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen toebehoren, eventueel in mede-eigendom, en van gemeenschappelijke lokalen die in mede-eigendom toebehoren aan eigenaars van wooneenheden of huishoudelijke werkeenheden.
Gemeenschappelijke delen van een residentiële eenheid : lokalen van een residentiële eenheid die in mede-eigendom toebehoren aan de eigenaars van wooneenheden en eventueel van huishoudelijke werkeenheden.
Installatie-eenheid : deel van een elektrische installatie dat zich stroomafwaarts bevindt, hetzij van de meter, hetzij van de aftakschakelaar, hetzij van de algemene schakelaar.
Huishoudelijke elektrische installatie : onder huishoudelijke elektrische installatie wordt verstaan:
- hetzij een elektrische installatie, samengesteld uit een of meerdere installatie-eenheden:
- die hetzij een wooneenheid, hetzij een huishoudelijke werkeenheid, hetzij de gemeenschappelijke delen van een residentiële eenheid voeden.
- en die aan een en dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon of aan een geheel van mede-eigenaars toebehoren;
- hetzij een productiemiddel van elektrische energie en de elektrische installatie die een wooneenheid of huishoudelijke werkeenheid of nog de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel bedienen.
Proces-verbaal van controle van de elektrische installatie : proces-verbaal van het controlebezoek van een elektrische installatie, opgesteld overeenkomstig de voorschriften van artikel 271 of 272 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties.
Verplichtingen van elektrische controles
Wanneer moet men zijn huishoudelijke elektrische installatie laten controleren?
- Vóór de ingebruikname van de installatie, zelfs als ze wordt gevoed via een privé-installatie (b.v. fotovoltaïsche panelen) (art. 270 van het AREI).
- Bij belangrijke wijziging of aanzienlijke uitbreiding van de bestaande installatie. In een huishoudelijke installatie is het installeren van ten minste een nieuwe kring vanaf het verdeelbord een belangrijke wijziging of uitbreiding. Dit gelijkvormigheidsonderzoek is beperkt tot het bijgevoegde of gewijzigde gedeelte van de installatie (art. 270 van het AREI).
- Vóór elke verzwaring van de aansluiting op het openbaar verdeelnet van een oude elektrische installatie (die dateert van vóór 1 oktober 1981) van een wooneenheid die niet werd onderworpen aan een gelijkvormigheidsonderzoek vóór de ingebruikname (art. 276 van het AREI).
- Bij de verkoop van een wooneenheid (art. 276bis van het AREI).
- Een periodieke controle moet uiterlijk om de 25 jaar uitgevoerd worden voor elke huishoudelijke laagspanningsinstallatie die onderworpen is aan het AREI, zelfs ze wordt gevoed via een privé-installatie (art. 271 van het AREI).
- De regionale regeringen bepalen de elementaire verplichtingen inzake veiligheid, gezondheid en uitrusting van de woningen.
De minimale veiligheidsverplichting inzake elektriciteit van de woning is gebaseerd op de overeenstemming van de elektrische installaties met het A.R.E.I. en de goedkeuring door een erkende instelling, als een dergelijke goedkeuring door de geldende reglementering wordt vereist. - De woningen die verhuurd worden, moeten aan vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid voldoen. De elektrische installatie van die woningen moet voldoen aan de geldende reglementering en mag bij normaal gebruik geen risico inhouden. De veiligste manier om zich daarvan te verzekeren, is zijn elektrische installatie door een erkende instelling te laten controleren.
Wat moet ik voorbereiden voor de controle?
Ter beschikking stellen van de erkende instelling:
- De schema’s van de elektrische installatie in drie exemplaren, gedateerd en ondertekend (eendraadsschema en situatieschema) (zie FAQ 7.1) ;
- De EAN-code ter identificatie van de aansluiting van de elektrische installatie. U kunt die op uw factuur vinden.
De kenmerken van de installatie (nominale spanning, nominale stroom) kunnen geven. Kunnen aanwijzen waar de aardingsonderbreker zich bevindt. Zorgen dat alle lokalen, energiemeters, elektrisch materiaal (stopcontacten, schakelaars, enz.) en schakelborden toegankelijk zijn.
Wanneer moet de installatie ten laatste opnieuw gecontroleerd worden als het gelijkvormigheidsonderzoek (onderzoek na de verwezenlijking van de installatie) bijvoorbeeld heeft plaatsgehad op 4 november 1985?
Wat gebeurt er als mijn elektrische installatie in overtreding ten opzichte van de voorschriften van het AREI is bij het gelijkvormigheidsonderzoek of bij het controlebezoek?
01. Gelijkvormigheidsonderzoek
Geen enkele elektrische installatie of deel ervan waarvoor inbreuken ten opzichte van dit reglement worden vastgesteld tijdens het gelijkvormigheidsonderzoek mag in gebruik worden genomen.
02. Controlebezoek
De werken die nodig om de tijdens het controlebezoek vastgestelde inbreuken te doen verdwijnen, moeten zonder vertraging worden uitgevoerd en alle gepaste maatregelen moeten worden genomen opdat, indien de installatie in dienst blijft, deze inbreuken geen gevaar vormen voor personen of goederen.
Voor huishoudelijke elektrische installaties geldt bovendien het volgende:
- De controle op het verhelpen van de inbreuken wordt verricht door dezelfde erkende instelling die het controlebezoek heeft uitgevoerd;
- De Federale Overheidsdienst die Energie onder zijn bevoegdheid heeft, wordt binnen een termijn van één jaar door de erkende instelling die het controlebezoek heeft uitgevoerd, ingelicht over het bestaan van inbreuken ingeval geen gevolg wordt gegeven aan de vraag om de installatie in orde te brengen.
Plichten van de eigenaar
Wat zijn de plichten van de eigenaar, beheerder of huurder van huishoudelijke installaties?
De eigenaar, beheerder of de eventuele huurder van een huishoudelijke elektrische installatie moet het dossier van de elektrische installaties in zijn bezit houden overeenkomstig de bepalingen die werden vastgelegd door de Minister die Energie onder zijn bevoegdheid heeft (zie ook FAQ 9.1).
De eigenaar, de beheerder en eventueel de huurder van een elektrische installatie moet zorgen:
- Voor het onderhoud ervan, of moet het laten uitvoeren ;
- Dat de geschikte maatregelen getroffen worden opdat de voorschriften van dit reglement op ieder ogenblik nageleefd worden
- Dat de directie “Elektrische Energie” van het Ministerie van Economische Zaken onmiddellijk gewaarschuwd wordt bij ongelukken waarvan personen het slachtoffer zijn en die rechtstreeks of onrechtstreeks te wijten zijn aan de aanwezigheid van elektrische installaties
Elektrische leidingen
Welke soort leiding mag ik gebruiken als verbinding tussen mijn elektriciteitsmeter en mijn verdeelkast?
In het algemeen plaatst men een leiding die 4 actieve geleiders bevat, zoals bijvoorbeeld:
- een XVB-kabel (VVB)
- een EXVB-kabel, alleen geplaatst
- VOB-geleiders in niet vlamverspreidende buizen uit thermoplastisch materiaal of in PVC-buizen,
- ...
Vermijd kabels met een metalen bewapening zoals EVAVB, XFVB (VFVB). Er dient eveneens rekening te worden gehouden met de eventuele bijzondere uitwendige invloeden zoals bijvoorbeeld voedingskabels die aan mechanische invloeden worden blootgesteld, enz.
Noot : gelieve voor de voeding van uw meter rekening te houden met de eventuele bijzondere voorschriften van de netbeheerder (Synergrid, Infrax, Eandis, Sibelga, ORES,…).
Zij leggen bijvoorbeeld specifieke voorschriften op voor de elektrische aansluiting van uw installatie (kabeltype, plaatsingwijze, plaats van de meter, enz.).
Mag men alle verlichtingsstroombanen op een enkele automaat (stroombaan) aansluiten?
Op welke minimumhoogte mogen op de wand bevestigde contactdozen geplaatst worden?
De as van hun contacthulzen (openingen) bevindt zich op een afstand boven het afgewerkte grondoppervlak van:
- In droge lokalen zonder risico op vocht (AD1) : ≥ 15 cm;
- In lokalen met vochtrisico (AD2 tot AD8) : ≥ 25 cm.
Voorbeelden van lokalen AD1 : kamers, woonkamers, kantoren, …
Voorbeelden van lokalen AD2-AD8 : kelders, vuilnislokalen, waskamers,…
Als men de gemengde stroomkring beschermt met een automaat van 16A, mag men in de stroomkring dan overgaan van een leiding van 2,5 mm² naar een van 1,5 mm² ?
Bad- en stortbadkamers
Wat moet men aan de bijkomende equipotentiaalverbinding aansluiten in een badkamer ? Hoe moet men het uitvoeren?
Een bijkomende equipotentiaalverbinding verbindt:
- Alle vreemde geleidende delen en de massa's van het elektrisch materiaal in de volumes 0, 1, 1bis, 2 en 3, met uitzondering van de massa's van het elektrisch materiaal op zeer lage veiligheidsspanning ;
- Alle metalen delen die gelijktijdig genaakbaar zijn, zowel de massa's van vaste elektrische machines en toestellen als vreemde geleidende delen;
- De beschermingsgeleiders van alle elektrische machines en toestellen met inbegrip van degene die worden gevoed via stopcontacten.
De bijkomende equipotentiaalverbinding mag verwezenlijkt worden hetzij met geleidende delen zoals metalen gebinten, hetzij met bijkomende geleiders, hetzij met een combinatie van beide. De geleiders moeten geel/groen geïsoleerd worden en ze moeten een minimumdoorsnede hebben van 2,5 mm² als ze mechanisch beschermd zijn (in buis) of van 4 mm² als ze niet mechanisch beschermd zijn.
Gelieve onze brochure "Huishoudelijke elektrische installaties" te raadplegen.
Moeten de metalen radiatoren van een badkamer die met de verwarmingsketel verbonden zijn door kunststofleidingen worden verbonden met de bijkomende equipotentaalverbinding?
Het water in de metalen radiatoren die met kunststofbuizen verbonden zijn met de verwarmingsketel kan een zekere geleidbaarheid vertonen. Op basis van deze hypothese zouden de metalen radiatoren moeten worden beschouwd als vreemde geleidende delen en onder deze omstandigheden zou een dergelijke radiator die zich in de badkamer bevindt dan ook moeten worden verbonden met de bijkomende equipotentiaalverbinding, zoals opgelegd door artikel 86.10.k van het AREI.
Wanneer een radiator van een centrale-verwarmingsinstallatie verbonden is met isolerende leidingen is de verbinding met de bijkomende equipotentiaalverbinding dus niet verplicht.
Als een schakelaar in een voedingskring van elektrisch materiaal geplaatst wordt dat zich in een badkamer bevindt, dient hij dan nog van het meerpolige type te zijn?
Neen.
Het AREI verplicht de meerpolige onderbreking niet meer.
Het AREI verplicht de meerpolige onderbreking ook niet voor buitenverlichting of verlichting van kelders.
Wat zijn de verschillende volumes in bad- en stortbadkamers en welke zijn de kenmerken van het toegelaten elektrisch materiaal?
Aarding
Wat zijn de begrippen met betrekking tot aardingen in huishoudelijke installaties?
A. Aardelektrode (een aardingslus op de bodem van de funderingssleuf of aardingspen).
B. Scheidingsapparatuur (scheidingsstrip of aardingsonderbreker).
C. Vreemde geleidende delen (hoofdleidingen voor gas en water in het gebouw; hoofdleidingen van centrale verwarming en klimaatregeling).
D. Genaakbare en vaste metalen delen van de constructie van het gebouw ; metalen hoofdonderdelen van gelijk welke leiding.
E. Massa van toestellen van klasse I.
F. Hoofdaardingsklem : verbindingsklem van de aardgeleider(s), van de hoofdbeschermingsgeleider(s) en van de hoofdequipotentiaalgeleider(s).
1. Aardgeleider – doorsnede : min. 16 mm² Cu – geel/groen geïsoleerd.
2. Hoofdbeschermingsgeleider – aanbevolen doorsnede : min. 6 mm² Cu – geel/groen geïsoleerd.
3. Beschermingsgeleider – dezelfde doorsnede als de fasegeleider van de beschouwde stroombaan – geel/groen geïsoleerd.
4. Hoofdequipotentiaalverbinding – equipotentiaalgeleider met doorsnede van 6 mm² Cu – geel/groen geïsoleerd.
5. Bijkomende equipotentiaalverbinding – equipotentiaalgeleider met doorsnede van min.:
- 2,5 mm² Cu wanneer de geleiders mechanisch beschermd zijn
- 4 mm² Cu wanneer de geleiders niet mechanisch beschermd zijn.
Differentieelbeveiliging
Is een algemene differentieelstroominrichting in mijn elektrische installatie vereist?
Er moet ten minste een automatische differentieelstroominrichting van type A met een aanspreekstroom van ten hoogste 300 mA in het begin van de installatie geplaatst worden. Onder « ten minste » moet worden verstaan dat men verschillende differentieelstroominrichtingen van ten hoogste 300 mA in het begin van de installatie kan plaatsen om een horizontale selectiviteit te waarborgen.
De nominale stroom dient minimaal 40 A te zijn.
Gepaste maatregelen moeten de ongenaakbaarheid van de (uitgangs- en) ingangsklemmen van het beveiligingstoestel waarborgen.
Een verzegeling door de inspecteur van de keuringsinstelling waarborgt het blijvend karakter van deze ongenaakbaarheid.
Welke stroombanen moeten stroomafwaarts van de differentieelstroominrichting van 30 mA worden geplaatst?
- De voedingskringen van stortbadkamers en badkamers:
- de vast opgestelde gebruikstoestellen,
- de stuur- en regeltoestellen,
- de contactdozen.
De laagspanningscontactdozen in volume 2 (behalve contactdozen die worden gevoed door een individuele beschermingstransformator met een vermogen van maximaal 100 W) moeten door een automatische differentieelstroominrichting van 10 mA beschermd worden.
- De voedingskringen van de inrichtingen voor het aansluiten van wasmachines, droogkasten en vaatwasmachines.
Deze differentieelstroominrichting(en) moet(en) buiten de badkamer zijn opgesteld. Deze differentieelstroominrichting(en) mag (mogen) niet de algemene automatische differentieelstroominrichting zijn die in het begin van de installatie is aangebracht. Ze moeten stroomafwaarts van de algemene automatische differentieelstroominrichting geplaatst worden.
Elektrische schema's
Zijn eendraads- en situatieschema’s verplicht voor elke huishoudelijke elektrische installatie?
Voor elke huishoudelijke elektrische installatie die werd uitgevoerd na 01/10/1981 zijn eendraads- en situatieschema’s verplicht en ze maken wezenlijk deel uit van het gelijkvormigheidsonderzoek en/of van het controlebezoek.
Bij de controle van een oude elektrische installatie die dateert van vóór 01/10/1981:
- Wat het eendraadsschema betreft:
wordt gevraagd om ten minste te beschikken over een vereenvoudigd schema dat minimaal de volgende elementen omvat:
- adres van de installatie;
- de nominale spanning van de installatie;
- de doorsnede van de voedingskabel van het hoofdbord;
- het type en de doorsnede van de verschillende vertrekken;
- de automatische differentieelstroomschakelaar(s) met zijn (hun) karakteristieken;
- de karakteristieken van de beveiligingsinrichtingen.
- Wat het situatieschema betreft:
Het moet minimaal de stopcontacten, de schakelaars, de verschillende lichtpunten en de vaste gebruikstoestellen omvatten. De overeenstemming met het eendraadsschema wordt niet vastgesteld, en het is niet noodzakelijk voorzien van markeringen. Hou er rekening mee dat in het kader van de verkoop van een wooneenheid, als de eendraads- en situatieschema’s niet bij de controle aanwezig zijn, de agent-inspecteur van de erkende instelling deze moet tekenen, ten laste van de aanvrager.
In geval van een wijziging die niet als belangrijk kan worden beschouwd of van een uitbreiding die niet aanzienlijk is, is het opstellen van een nieuw eendraadsschema niet verplicht; een bondige beschrijving van de wijziging of de uitbreiding volstaat. Deze beschrijving, met vermelding van de naam, de hoedanigheid en het adres van degene of degenen die verantwoordelijk is/zijn voor de uitvoering van het werk, moet door hen gedateerd en ondertekend worden.
Elke wijziging of uitbreiding van een huishoudelijke elektrische installatie moet aangebracht worden op het situatieschema van de elektrische installatie. Dat schema moet op ieder ogenblik de bestaande toestand van de elektrische installatie weergeven.
Wat moet men op het eendraadsschema vinden voor elke nieuwe huishoudelijke elektrische installatie (uitgevoerd na 01/10/1981) of voor elke belangrijke wijziging of aanzienlijke uitbreiding van een bestaande huishoudelijke elektrische installatie?
- De naam, de hoedanigheid, het BTW-nummer of, bij ontstentenis daarvan, het nummer, de datum en gemeente van uitreiking van de identiteitskaart van de persoon of personen die de installatie heeft/hebben uitgevoerd.
- Het adres van de plaats waar deze elektrische installatie is verwezenlijkt.
- Deze perso(o)n(en) evenals de inspecteur van de erkende instelling en de eigenaar van de elektrische installatie moeten het eendraadsschema dateren en ondertekenen.
- De symbolen die moeten worden gebruikt om het eendraadsschema van een huishoudelijke elektrische installatie op te stellen, worden gegeven in bijlage I van het ministerieel besluit van 27 juli 1981 (BS.1981-09-22). (Gelieve onze brochure "Huishoudelijke elektrische installaties" te raadplegen).
- Het eendraadsschema van een elektrische installatie is de schematische voorstelling van een vaste elektrische installatie, die geen rekening houdt met de plaats van het elektrisch materiaal maar die, met behulp van symbolen, de samenstelling van iedere elementaire stroombaan geeft, evenals hun onderlinge verbinding om de elektrische installatie te vormen. Op dit schema wordt het volgende vermeld: de leidingtypes, de doorsnede en het aantal geleiders van deze leidingen, de plaatsingswijze, het type en de kenmerken van de automatische differentieelschakelaars en van de beveiligingsinrichtingen tegen overstroom, de schakelaars, de verbindingsdozen, de aftakdozen, de contactdozen, de lichtpunten en de vaste gebruikstoestellen.
Wat moet men op het situatieschema vinden voor elke nieuwe huishoudelijke elektrische installatie (uitgevoerd na 01/10/1981) of voor elke belangrijke wijziging of aanzienlijke uitbreiding van een bestaande huishoudelijke elektrische installatie?
- De naam, de hoedanigheid, het BTW-nummer of, bij ontstentenis daarvan, het nummer, de datum en gemeente van uitreiking van de identiteitskaart van de persoon of personen die de installatie heeft/hebben uitgevoerd.
- Het adres van de plaats waar deze elektrische installatie is verwezenlijkt.
- Deze perso(o)n(en) evenals de inspecteur van de erkende instelling en de eigenaar van de elektrische installatie moeten het situatieschema dateren en ondertekenen.
- Bij de oorspronkelijke aanleg van een huishoudelijke elektrische installatie moet een situatieschema van deze elektrische installatie opgesteld worden.
- De symbolen die moeten worden gebruikt om het elektrisch materiaal dat wordt vermeld op het eendraadsschema, voor te stellen op het situatieschema van de elektrische installatie zijn opgenomen in bijlage 1 van het ministerieel besluit van 27 juli 1981 (BS.1981-09-22).
Een voorbeeld van de te gebruiken symbolen vindt u hier.
Elk lichtpunt en elke contactdoos moet gekenmerkt worden door de letter die werd toegekend aan de elementaire stroombaan waartoe het onderdeel behoort, gevolgd door het nummer dat aan die onderdelen toegekend werd op het eendraadsschema van de elektrische installatie Elke schakelaar moet gekenmerkt worden door de letter van de stroombaan waarvan hij deel uitmaakt, gevolgd door het nummer van het lichtpunt of het toestel dat hij bedient.
- Het situatieschema van de onderdelen van een elektrische installatie is het plan dat door middel van symbolen de plaats aangeeft van de borden, verbindingsdozen, aftakdozen, wandcontactdozen, lichtpunten, schakelaars en gebruikstoestellen die op het eendraadsschema voorkomen.
Hoeveel exemplaren van de eendraads- en situatieschema’s heb ik nodig voor de elektrische controle van mijn installatie?
- een exemplaar voor de eigenaar van de elektrische installatie;
- een exemplaar voor de verantwoordelijke voor de werken;
- een exemplaar voor de erkende instelling.
Dossier van de elektrische installatie
Wat moet het dossier van de huishoudelijke elektrische installatie bevatten?
Het dossier van een huishoudelijke elektrische installatie moet in tweevoud opgemaakt worden. Een exemplaar moet in het bezit zijn van de eigenaar of de beheerder van de elektrische installatie; het andere moet bewaard worden door de eventuele huurder.
Het dossier van de huishoudelijke elektrische installatie moet het volgende bevatten:
- het(de) eendraadsschema('s) van de elektrische installatie;
- het(de) situatieschema('s) van de elektrische installatie;
- het of de proces(sen)-verbaal van overeenstemming van de elektrische installatie;
- eventueel het of de proces(sen)-verbaal van controle van de elektrische installatie;
- eventueel de documenten die bevestigen dat het elektrisch materiaal de veiligheidswaarborgen biedt die bepaalde elektrische machines, toestellen en leidingen moeten bieden;
- eventueel dezelfde documenten als onder 1., 2., 3. en 5. indien een belangrijke wijziging
- eventueel de bondige beschrijving(en) van elke wijziging die niet als belangrijk kan worden beschouwd, of elke uitbreiding die niet aanzienlijk is en die zou zijn uitgevoerd aan de elektrische installatie.
Verzwaring van aansluiting op het openbaar verdeelnet (art. 276 van het AREI)
Op welke elektrische laagspanningsinstallaties heeft artikel 276 van het AREI betrekking?
Iedere oude elektrische installatie van een wooneenheid die niet werd onderworpen aan een gelijkvormigheidsonderzoek en waarvoor een verzwaring van aansluiting op het openbaar verdeelnet wordt gevraagd.
In principe alle huishoudelijke elektrische installaties die dateren van vóór de de publicatie van het AREI, dat wil zeggen van vóór 01/10/1981.
Normaal gezien zou elke huishoudelijke elektrische installatie van na 01/10/1981 (nieuwe installatie, belangrijke wijziging of aanzienlijke uitbreiding van de installatie), zelfs degene die worden gevoed via een privé-installatie, vóór de ingebruikname van de installatie aan een gelijkvormigheidsonderzoek moeten worden onderworpen volgens de voorschriften van het AREI.
Waaruit bestaat de elektrische laagspanningscontrole in geval van verzwaring?
Wat gebeurt er als er bij het eerste controlebezoek inbreuken zijn?
Wat gebeurt er als de inbreuken er nog altijd zijn bij het tweede controlebezoek, dat wordt uitgevoerd binnen de termijn van één jaar?
Oude huishoudelijke elektrische installaties (< 01/10/1981)
Ik heb een oude installatie van vóór 1 oktober 1981. Wat moet ik doen en val ik onder de verplichting tot herkeuring van installaties door een erkende instelling?
Verkoop van een wooneenheid (art. 276bis van het AREI)
Wat is het toepassingsgebied van artikel 276bis van het AREI?
- met een oude elektrische installatie waaraan sedert 1 oktober 1981 geen belangrijke wijzigingen of aanzienlijke uitbreidingen zijn aangebracht;
- met een oude elektrische installatie waaraan sedert 1 oktober 1981 belangrijke wijzigingen of aanzienlijke uitbreidingen zijn aangebracht maar waarvan het gedeelte dat dateert van vóór 1 oktober 1981 nog niet aan een controlebezoek werd onderworpen.
Indien de wooneenheid deel uitmaakt van een regime van mede-eigendom gelden de hierna vermelde bepalingen enkel wat de privé-delen van de betrokken wooneenheid betreft. Daarenboven zijn deze bepalingen evenmin van toepassing op garages, parkeergarages, berg- en andere ruimten die deel uitmaken van de wooneenheid maar waarvan de elektrische installatie wordt gevoed via een elektriciteitsmeter op naam van de mede-eigenaars of van de vereniging van mede-eigenaars.
Deze bepalingen zijn evenmin van toepassing op wooneenheden die het voorwerp uitmaken van een onteigening.
Wat zijn mijn plichten als verkoper?
- een controlebezoek van de elektrische installatie te laten uitvoeren;
- de datum van het proces-verbaal van het controlebezoek en het feit van de overhandiging van dit proces-verbaal aan de koper in de authentieke akte te doen vermelden.
Indien het onmogelijk is de controle te laten uitvoeren bij een door gerechtelijke beslissingen bevolen verkoop is diegene die de verkoop vordert verplicht in de authentieke akte of in het proces-verbaal van openbare toewijzing de afwezigheid te doen vermelden van het controlebezoek van de elektrische installatie en het belang voor de koper om tot deze controle te laten overgaan.
In het geval van een controlebezoek met een negatief proces-verbaal als gevolg is de verkoper verplicht in de authentieke akte te doen vermelden dat de koper verplicht is zijn identiteit en de datum van de akte van verkoop schriftelijk mee te delen aan de erkende instelling die het controlebezoek van de elektrische installatie heeft uitgevoerd.
Wat zijn mijn plichten als koper?
In het geval van een controlebezoek met een negatief proces-verbaal als gevolg moet de koper zijn identiteit en de datum van de akte van verkoop schriftelijk meedelen aan de erkende instelling die het controlebezoek van de elektrische installatie heeft uitgevoerd.
Na deze melding heeft de koper de vrije keuze om een erkende instelling aan te stellen voor een nieuw controlebezoek om na te gaan of na afloop van de termijn van 18 maanden, te rekenen vanaf de datum van de akte van verkoop, de inbreuken verdwenen zijn. Indien de koper een andere erkende instelling aanstelt, licht die instelling de erkende instelling die het eerste proces-verbaal van controlebezoek heeft opgesteld hierover in.
Wat gebeurt er als er bij het tweede controlebezoek inbreuken blijven bestaan?
Indien er tijdens dit nieuw controlebezoek wordt vastgesteld dat er nog inbreuken overblijven, zijn de voorschriften van artikel 274.02 van toepassing, namelijk: De werken die nodig zijn om de tijdens het controlebezoek vastgestelde inbreuken te doen verdwijnen, moeten zonder vertraging worden uitgevoerd en alle gepaste maatregelen moeten worden genomen opdat, indien de installatie in dienst blijft, deze inbreuken geen gevaar vormen voor de personen of goederen.
Voor huishoudelijke elektrische installaties geldt bovendien het volgende:- de controle op het verhelpen van de inbreuken wordt verricht door dezelfde erkende instelling die het controlebezoek heeft uitgevoerd;
- de Federale Overheidsdienst die Energie onder zijn bevoegdheid heeft, wordt binnen een termijn van één jaar door de erkende instelling die het controlebezoek heeft uitgevoerd, ingelicht over het bestaan van inbreuken ingeval geen gevolg wordt gegeven aan de vraag om de installatie in orde te brengen.
Wat gebeurt er als de koper het gebouw gaat afbreken of de bestaande elektrische installatie volledig gaat renoveren?
Wat is het doel van het controlebezoek?
Moet ik eendraads- en situatieschema’s voorzien van de elektrische installatie van mijn woning die ik verkoop?
wordt gevraagd ten minste te beschikken over een vereenvoudigd schema dat minimaal de volgende elementen omvat:
- adres van de installatie;
- de nominale spanning van de installatie;
- de doorsnede van de voedingskabel van het hoofdbord;
- het type en de doorsnede van de verschillende vertrekken;
- de automatische differentieelstroomschakelaar(s) met zijn (hun) karakteristieken;
- de karakteristieken van de beveiligingsinrichtingen.
Ingeval dit document niet ter beschikking van de agent-inspecteur kan worden gesteld, zal die een summiere beschrijving van de verschillende borden opmaken. Deze beschrijving of het schema maakt wezenlijk deel uit van het verslag en dient minimaal de elementen te omvatten die worden vermeld in de vorige paragraaf.
Wat het situatieschema betreft:het dient minimaal de stopcontacten, de schakelaars, de verschillende lichtpunten en de vaste gebruikstoestellen te omvatten.
De overeenstemming met het eendraadsschema wordt niet vastgesteld, en het is niet noodzakelijk voorzien van markeringen.
Ingeval dit document niet ter beschikking kan worden gesteld, zal de agent-inspecteur op een duidelijke manier een summiere schets aken met de losse hand. Als die documenten bij de controle niet aan onze agent worden gegeven, zal hij ze moeten opstellen, ten laste van de aanvrager.
Afwijkende bepalingen (art. 271bis en 278 van het AREI)
Welke afwijkende bepalingen zijn voor de controlebezoeken van toepassing op de huishoudelijke elektrische installaties waarvan de uitvoering is aangevat na 1 oktober 1981? (art. 271bis van het AREI)
- Keuze van de automatische differentieelstroominrichtingen
- de automatische differentieelstroominrichtingen van het type AC in dienst te laten voor installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 1 januari 1987;
- de automatische differentieelstroominrichtingen met een nominale stroomsterkte kleiner dan 40 A in dienst te laten voor installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 16 september 1991;
- de automatische differentieelstroominrichtingen met een nominale stroomsterkte ≤ 40 A die niet de specifieke markering “3000 A, 22,5 kA2s” dragen in dienst te laten voor installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 7 mei 2000 of die conform de NBN 819 zijn.
- Keuze van de beschermingsinrichtingen tegen overstroom
- beschermingsinrichtingen tegen overstroom met een minimaal schakelvermogen van 1500 A en smeltveiligheden met een minimaal onderbrekingsvermogen van 1500 A in dienst te laten voor installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 27 september 1988.
- Keuze van de elektrische leidingen
- stroombanen die slechts 2 actieve geleiders omvatten met een doorsnede van 2,5 mm2 in dienst te laten voor de voeding van een wasmachine op voorwaarde dat deze doorsnede aangepast is aan het vermogen van het toestel;
- een elektrisch fornuis te voeden met tweemaal twee actieve geleiders in parallel van 4 mm2 en een beschermingsgeleider van 4 mm2 om aan de verplichting van twee actieve geleiders van minimaal 6 mm2 voor de voeding ervan te voldoen;
- in badkamers geplaatste kabels met een metalen pantsering zoals van het type VFVB in dienst te laten voor installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 22 juli 1986.
- Contactdozen
- per stroombaan meer dan acht enkelvoudige of meervoudige contactdozen in dienst te laten op voorwaarde dat het vermogen van de aangesloten vaste en vast opgestelde toestellen het transporteerbaar vermogen in de stroombaan niet overtreft.
- Schakelaars
- enkelpolige schakelaars in badkamers in dienst te laten.
- Proces-verbaal van overeenstemming
- de afwezigheid van het proces-verbaal van overeenstemming van de elektrische installatie in het elektrisch dossier toe te laten bij de eerste periodieke controle.
Welke afwijkende bepalingen zijn van toepassing op de bestaande gedeelten van oude elektrische huishoudelijke installaties die dateren van vóór het verschijnen van het AREI (< 01/10/1981)? (art. 278 van het AREI)
- Naleving van de normen
- elektrisch materiaal, waaronder met name de aftakdozen en leidingen, dat is gebouwd overeenkomstig de regels van goed vakmanschap die van kracht waren op het ogenblik van de installatie, in dienst te laten;
- Keuze van automatische differentieelstroominrichting
- de differentieelstroominrichting van het type “AC” en/of met een nominale stroomsterkte kleiner dan 40 A in dienst te laten;
- Verzegeling van de differentieelstroominrichting
- de automatische differentieelstroominrichting niet te verzegelen indien die daarvoor niet voorzien is;
- Normalisering van de beschermingsinrichtingen tegen overstroom
- de smeltveiligheden met schroefbasis, type D met kalibreerringen, de pensmeltveiligheden en de kleine automatische schakelaars met pennen die conform de norm NBN 481 waren, in dienst te laten;
- Keuze van de elektrische leidingen
- de elektrische leidingen in dienst te laten waarvan de geïsoleerde geleiders een doorsnede hebben die kleiner is dan 2,5 mm2 maar ten minste gelijk is aan 1 mm2. De geleiders van 1 mm2 moeten beschermd zijn tegen overbelasting, hetzij door smeltzekeringen met een nominale intensiteit die ten hoogste gelijk is aan 6 A, hetzij door automatische schakelaars van ten hoogste maat 12 of met een nominale stroom van ten hoogste 10 A;
- Kleurcode van de geleiders van kabels en van geïsoleerde geleiders
de volgende elementen in dienst te laten:- een beschermings-, aard- of equipotentiaalgeleider die niet gemerkt is door de groen-gele kleurcombinatie;
- actieve geleiders of beschermingsgeleiders met groene of gele kleur.
- Nabijheid van niet-elektrische leidingen
- in de nabijheid van niet-elektrische leidingen, elektrische leidingen in dienst te laten die er geen 3 cm van verwijderd zouden zijn;
- Aardgeleider
- een koperen aardgeleider in dienst te laten waarvan de doorsnede ten minste gelijk is aan 6 mm2;
- Beschermingsgeleider
- elektrische leidingen in dienst te laten die geen beschermingsgeleider bevatten op voorwaarde dat zij niet bedoeld zijn om een vast of beweegbaar toestel van klasse I te voeden;
- een beschermingsgeleider in dienst te laten die zich buiten de leiding bevindt;
- de beschermingsgeleider te installeren buiten de elektrische leidingen, daar waar het niet mogelijk is deze beschermingsgeleider in de bestaande buizen te trekken;
- Equipotentiaalverbindingen
- dat de hoofdequipotentiaalverbinding ontbreekt;
- Contactdozen
de contactdozen in dienst te laten die:- hetzij geen aardcontact hebben aangezien de elektrische leiding geen beschermingsgeleider heeft;
- hetzij niet van een kinderveilige model zijn;
- per stroombaan, meer dan 8 enkelvormige contactdozen in dienst te laten.
- Het is verboden de aanwezigheid te dulden van een contactdoos met aardcontact indien dit laatste geen daadwerkelijke galvanische verbinding vormt met de aardverbinding van de installatie;
- Plaatsing van de contactdozen
- contactdozen in dienst te laten op wanden van lokalen waar geen vochtgevaar bestaat (AD1) en die niet zodanig geplaatst zijn dat de as van hun contacthulzen zich ten minste 15 cm boven de afgewerkte vloer bevindt;
- Verlichtingsstroombaan
- over slechts één enkele verlichtingsstroombaan per elektrische installatie te beschikken;
- Bescherming van wasruimten, badkamers, stortbadkamers en van wasmachines
- het materiaal en de toestellen die zijn toegelaten in wasruimten, stortbad- en badkamers evenals de inrichtingen voor de aansluiting van wasmachines of vaatwasmachines niet te beschermen met een afzonderlijke automatische differentieelstroominrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid (≤ 30 mA), op voorwaarde dat, in het geval van de bad- en stortbadkamers, de afstand van 0,60 m die gebruikt wordt om het volume 2 (beschermingsvolume) van de badkuipen of stortbadkuipen te bepalen, op 1 m wordt gebracht;
- eenpolige schakelaars in dienst te laten die geplaatst zijn in de voedingsstroombaan van een verlichtingstoestel;
- Bescherming in wasruimten, badkamers en stortbadkamers
- elektrische leidingen in dienst te laten die niet voldoen aan de voorschriften van artikel 86.10 van het AREI;
- niet te beschikken over de bijkomende equipotentiaalverbinding;
- in de vloer verzonken verwarmingsweerstanden in dienst te houden die niet zouden voldoen aan de voorschriften die erop betrekking hebben of de voorschriften betreffende hun installatie aangezien zij namelijk niet kunnen worden verbonden met de bijkomende equipotentiaalverbinding waarvan sprake bij het vorige streepje, op voorwaarde dat de afstand van 0,60 m. die dient om het volume 2 (beschermingsvolume) van de badkuipen of stortbadkuipen te bepalen, op 1 m wordt gebracht.
Fotovoltaïsche installatie op laagspanning
Waaruit bestaat het gelijkvormigheidsonderzoek van mijn fotovoltaïsche installatie vóór ingebruikname door een erkende instelling?
- het nakijken van het administratief dossier van de installatie (zie FAQ 14.2);
- een visueel onderzoek van de installatie (zie FAQ 14.3);
- metingen en beproevingen op de elektrische installatie (zie FAQ 14.3).
Wat moet mijn administratief dossier bevatten voor het gelijkvormigheidsonderzoek vóór ingebruikname?
- Eendraadsschema van de installatie (met ondermeer de meters, de eventuele batterijen en alle elektrische productiebronnen, …);
- Situatieschema van de elektrische installatie (een beschrijving eventueel aangevuld met foto’s kan worden aanvaard);
- Referenties en technische kenmerken van de installatie (merk, model, vermogen, …).
- Gebruiksaanwijzing van de installatie (werking, onderhoud);
- De veiligheidsvoorschriften met betrekking tot de interventie op de installatie en tot haar gebruik.
Wat omvat het visuele onderzoek dat de erkende instelling uitvoert?
- De uitvoering van de elektrische installatie overeenkomstig de schema’s en plannen;
- De verbinding van de groene energiemeter (die meter dient van nauwkeurigheidsklasse 2 te zijn.) tussen de invertor DC/AC en de specifieke beschermingsschakelaar van het PV-net, met inbegrip van de eventuele verbinding met een andere energiebron (stroomaggregaat, windmolen, enz…);
- De keuze van het materiaal en de geschikte beschermingsmaatregelen tegen uitwendige invloeden;
- De aanwezigheid van ten minste één differentieelstroominrichting van 300 mA aan het begin van de installatie zoals bepaald in artikel 86 van het AREI;
- De aanwezigheid van ten minste één differentieelstroominrichting van type A aan het begin van de fotovoltaïsche installatie overeenkomstig artikel 85.02 (deze differentieelstroominrichting kan dezelfde zijn als degene die wordt vermeld in het vorig punt);
- De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking;
- De bescherming tegen overstroom;
- De keuze van de beschermings- en controle-inrichtingen;
- De aanwezigheid van de geschikte en juist geïnstalleerde scheidings- en bedieningsinrichtingen;
- De markering van de gelijkstroomgeleiders en de actieve wisselstroomgeleiders;
- De markering of de identificatie van stroomkringen, beschermingsinrichtingen tegen overstroom, schakelaars, klemmen, enz.;
- De correcte uitvoering van de aansluitingen van de geleiders;
- De aanwezigheid en de overeenstemming van de beschermingsgeleiders (het metalen raam van de PV-modules en hun structuren moeten met de aarde verbonden zijn door een beschermingsgeleider met een doorsnede die ten minste equivalent is aan die van de beschermingsgeleider van de AC-voeding, met een minimumdoorsnede gelijk aan:
- 2,5mm² indien hij mechanisch beschermd is);
- 4 mm² indien hij niet mechanisch beschermd is);
- De gemakkelijke toegankelijkheid van de uitrustingen;
- De aanwezigheid van waarschuwingsborden die de gevaren van de elektriciteit aangeven, aangevuld met de volgende vermeldingen: “Niet onderbreken bij belasting”, “Elektrische installatie altijd onder spanning” - of hiermee equivalent, op oordeelkundig gekozen plaatsen aangebracht;
- De afwezigheid van zichtbare schade aan de installatie die de veiligheid van personen en het behoud van goederen in het gedrang kan brengen.
Wat omvatten de metingen en beproevingen die de erkende instelling uitvoert?
- de meting van de continuïteit van de beschermingsgeleiders;
- de meting van de isolatieweerstand van de elektrische installaties van het gedeelte in wisselstroom;
- de automatische onderbreking van de voeding in het kader van de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking:
- de meting van de spreidingsweerstand van de aardverbinding;
- de controle van de werking van de differentieelstroominrichtingen via de eigen testinrichting;
- de controle van de foutlussen en de correcte aansluiting van de differentieelstroominrichtingen via de opwekking van een foutstroom van ten minste 1 maal de nominale gevoeligheid van het toestel;
- controleren of het automatisch scheidingssysteem actief is (minder dan 5 seconden) wanneer er geen netspanning is en of de fotovoltaïsche productie het net niet opnieuw voedt zolang de spanning van het net niet opnieuw aanwezig is.
Hoe zit het met de gewijzigde wetgeving in Vlaanderen aangaande de toegekende premies?
Geen antwoord gevonden?
U vindt het antwoord niet in onze lijst? Stel de vraag rechstreeks aan één van onze specialisten.
AREI
In onze antwoorden op de vaak gestelde vragen verwijzen we soms naar artikels in het AREI.
